Kennisbank sociale innovatie

Terug naar start

Kenmerken

  • Datum van publicatie: 2010
  • Datum van plaatsen: 5 mei 2011
  • Organisatie: INSCOPE
  • Homepage: www.inscope.nl
  • Postadres: Rotterdam School of Management, Erasmus University
    Attn. INSCOPE
    Kamer T07-25 
    Postbus 1738
    3000 DR Rotterdam

Downloads

Delen

Acties

Waardering:
Waardering: Sociale innovatie: nu nog beter! Resultaten Erasmus Concurrentie en Innovatie Monitor 2009 – 2010
SluitenX

We werken nu nog met veel plezier
aan sociale innovatie, maar het NCSI
stopt per 1 april 2012 haar activiteiten!

Hoe lang kunt u ons nog bereiken?

Sociale innovatie: nu nog beter! Resultaten Erasmus Concurrentie en Innovatie Monitor 2009 – 2010

2010 – de resultaten van de Erasmus Concurrentie en Innovatie Monitor 2009 – 2010 worden in het rapport ‘sociale innovatie: nu nog beter!’ gepresenteerd. Inmiddels is dit de vijfde editie van de monitor. Dit rapport is samengesteld in opdracht van het NCSI en het onderzoek is uitgevoerd door INSCOPE (Research for innovation).

Samenvatting
Sociale innovatie is het ontwikkelen van nieuwe managementvaardigheden (dynamisch managen), het hanteren van innovatieve organisatievormen (flexibel organiseren) en het realiseren van hoogwaardige arbeidsrelaties (slimmer werken) om daarmee het concurrentievermogen en de productiviteit te verbeteren (Volberda, Van den Bosch & Jansen, 2006). Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen sociale en technologische innovatie. Technologische innovatie is gericht op vernieuwing van technologische kennis, R&D- en ICT-investeringen, onderzoek en ontwikkeling, en kenniscreatie. Met sociale innovatie bedoelen we het implementeren in organisatie, management en werkwijzen, van veranderingen die nieuw zijn voor de organisatie en/of de betreffende industrie. Uit onderzoek blijkt dat technologische innovaties ongeveer 25 procent van het innovatiesucces verklaren, terwijl sociale innovaties ongeveer 75 procent van dat succes genereren.

Investeringen in sociale innovatie zijn in de afgelopen jaren fors toegenomen in het Nederlandse bedrijfsleven (zie grafiek 1). Zo was de stijging tussen 2008 en 2009 nog 5,2%. Een jaar later is de toename 12,8%. Sociale innovatie helpt bedrijven de economische crisis te doorstaan. Zo hebben sociaal innovatieve bedrijven een hogere innovativiteit (+31%) en productiviteit (+21%) waardoor zij betere bedrijfsprestaties kunnen realiseren, zowel op de korte als de langere termijn. Daarnaast zijn sociaal innovatieve bedrijven beter in staat om nieuwe klanten aan te trekken (+17%), zijn hun medewerkers tevredener (+12%) en hebben ze een hogere omzet- (+16%) en winstgroei (+13%). 

Grafiek 1: ontwikkeling van sociale innovatie over de periode 2007-2010

 

 

 

 

 

 

 

Sociaal innovatieve bedrijven investeren beduidend meer in R&D. Bedrijven die sociaal innovatief zijn investeren, vergeleken met bedrijven die dat niet zijn, meer dan twee keer zo veel in R&D. Sociaal innovatieve bedrijven zijn als gevolg daarvan beter in staat om hun kennisbasis effectief te gebruiken én kunnen nieuwe R&D-kennis optimaler combineren met al bestaande kennis. Die combinatie – een effectiever gebruik van de bestaande kennisbasis en de mogelijkheid nieuwe R&D - kennis daar optimaal mee te combineren – heeft een versterkend effect op het innovatiesucces van sociaal innovatieve bedrijven.

Sociaal innovatieve bedrijven hebben meer nieuwe en verbeterde producten en diensten dan bedrijven die niet sociaal innovatief zijn. Gemiddeld is er over 2010, ten opzichte van 2009, 2,8% minder omzet afkomstig uit nieuwe producten en diensten. De verklaring daarvan is dat bedrijven minder actief zijn met het ontwikkelen van nieuwe producten en diensten (-5%). De omzet uit verbeterde producten en diensten is nauwelijks veranderd (+0,1%). Deze ontwikkelingen duiden aan dat bedrijven tussen 2009 en 2010, gemiddeld genomen, vooral gericht waren op kortetermijnwinst.

Sociaal innovatieve bedrijven halen twee keer zoveel omzet uit nieuwe producten en diensten en 14% meer omzet uit verbeterde producten en diensten dan bedrijven die niet sociaal innoveren. Dit biedt sociaal innovatieve bedrijven meer mogelijkheden om duurzame concurrentievoordelen te ontwikkelen. Bovendien halen deze bedrijven een meer gebalanceerde omzet uit nieuwe, verbeterde én bestaande producten en diensten.

Internationaal gezien heeft Nederland nog een inhaalslag te maken. Op de wereldwijde concurrentie-index van het World Economic Forum (WEF) is Nederland gestegen van de tiende naar de achtste plaats. Dat is onder andere te danken aan het feit dat het Nederlandse bedrijfsleven steeds vooruitstrevender wordt – met betrekking tot bedrijfsgeavanceerdheid staat Nederland op de vijfde plaats. Op het punt van innovatie staat Nederland echter al jarenlang op of nabij de dertiende plaats. Saneringen van buitenlandse bedrijven en verplaatsing van kennisintensieve activiteiten naar opkomende economieën hebben uitgewezen dat het innovatievermogen van in Nederland gevestigde bedrijven uitermate kwetsbaar is. Juist nu zal Nederland moeten inzetten op innovatie, wil het de productiviteit en het concurrentievermogen van het eigen bedrijfsleven versterken.

Bedrijven in de ICT-sector, de vastgoed  en zakelijke dienstverlening zijn voorbeelden van hoe het wel moet. Bouwbedrijven en financiële dienstverleners kunnen hier veel van leren. Bedrijven in de ICT-sector hebben gemiddeld goede scores op elk onderdeel van sociale innovatie en externe kennisacquisitie. Ook vastgoed en zakelijke dienstverlening doen het, gemiddeld genomen, goed waar het gaat om sociale innovatie en externe kennisacquisitie. Met bedrijven in de financiële dienst  - verlening en de bouw is het minder positief gesteld. Zij blijven achter op genoemde gebieden. Bedrijven in deze sectoren dienen dus te investeren in het sneller herkennen, opnemen en commercieel toepassen van nieuwe kennis, willen zij de achterstand met andere sectoren verkleinen. Dat de financiële dienstverlening en bouwsector een groot deel van de bruto toegevoegde waarde in Nederland genereren, maakt deze investeringen nog noodzakelijker.

Een hoge interne verandersnelheid draagt in belangrijke mate bij aan het succes van flexibel organiseren. Flexibel organiseren stelt organisaties in staat om, als de omgeving daarom vraagt, intern relatief snel te veranderen. Organisaties met een hoge interne verandersnelheid kunnen effectiever inspelen op wijzigingen in alle mogelijke aspecten van de omgeving. Daarnaast is het bij flexibel organiseren van belang de balans tussen innovatie en efficiency te bewaken. Organisaties dienen voldoende efficiënt te zijn om op korte termijn competitief te zijn, maar ook voldoende innovatief om op de langere termijn te presteren.

Informeel management stimuleert het innovatief vermogen. Managementliteratuur onderscheidt in het algemeen  drie managementstijlen: informeel management, reflectie en accountability. Van deze drie heeft informeel management de meest positieve invloed op het innovatief vermogen. Accountability heeft het beste effect op het bedrijfsresultaat. Dynamisch managen vereist dus een actieve leider die naast aandacht voor gestelde targets (accountability) ook oog heeft voor de autonomie van medewerkers (informeel management). Met het toenemen van het aantal medewerkers groeit bovendien ook het belang van transformationeel leiderschap. Bij bedrijven met meer dan 250 werknemers verhoogt dynamisch managen het innovatiepotentieel tot 40%. Transformationeel leiderschap kan bij het groeien van een organisatie een goede remedie zijn tegen toenemende hiërarchie en bureaucratie, omdat deze vorm van leiderschap meer betekenis heeft voor de medewerkers en die daardoor meer openstaan voor managementinnovatie. Kleinere, minder complexe organisaties hebben, om managementinnovaties te realiseren, meer baat bij transactioneel leiderschap (Vaccaro et al., 2011).

Vertrouwen is de belangrijkste voorwaarde om van slimmer werken een succes te maken. Slimmer werken vereist het optimaliseren van menselijk kapitaal door efficiënt en effectief kennismanagement. Vertrouwen in organisaties is met 39% de belangrijkste voorwaarde om van slimmer werken een succes te maken. Zo stimuleert vertrouwen de onderlinge betrokkenheid en kennisdeling tussen medewerkers. Daarnaast is het van belang dat medewerkers weten bij wie en/of waar in de organisatie bepaalde expertise te vinden is. Deze kennis dient vervolgens toegepast, bewerkt en behouden te worden om tot betere bedrijfsresultaten te komen.

De drie onderdelen van sociale innovatie zijn onderling complementair. Van flexibel organiseren, dynamisch managen en slimmer werken levert het laatstgenoemde met 38% de grootste bijdrage aan het bedrijfsresultaat. Dynamisch managen en flexibel organiseren volgen met respectievelijk 35% en 28%. Deze drie onderdelen van sociale innovatie hebben een onderling versterkend effect. Zo blijkt dat bedrijven die investeren in sociale innovatie hun innovatief vermogen met een factor 4 verhogen. Organisaties die hoog scoren op zowel flexibel organiseren, dynamisch managen als op slimmer werken leveren goede bedrijfsprestaties. Voor concurrenten is het moeilijker om de bundeling van én flexibel organiseren én dynamisch managen én  slimmer werken te kopiëren.

Open innovatie versterkt de bedrijfsresultaten van sociale innovatie. Voor echt goede bedrijfsprestaties is alleen sociale innovatie niet toereikend. Wil men zwaktes binnen een bedrijf te lijf gaan en de innovativiteit verder laten toenemen, dan is samenwerking met andere ondernemingen en kennisinstellingen ook een vereiste. Sociaal innovatieve bedrijven met een hoge score op externe kennisacquisitie presteren beter dan sociaal innovatieve bedrijven met een lage score op externe kennisacquisitie. De laatstgenoemde groep probeert het tekort op te vangen met meer (interne) R&D- investeringen, maar dat leidt niet tot de beste bedrijfsprestaties. Bedrijven met een goede kennisacquisitie, die echter niet sociaal innovatief zijn, presteren slecht. Doordat ze niet sociaal innovatief zijn hebben ze immers moeite met het herkennen, integreren en commercieel toepassen van nieuwe (externe) kennis en investeren ze weinig in R&D. Hierdoor hebben de betreffende bedrijven nauwelijks toegang tot nieuwe interne kennis en weinig profijt van externe kennis. Dit heeft een negatief effect op de innovativiteit en bedrijfsprestaties van bedrijven die niet sociaal innovatief zijn, maar die wel een hoge kennisacquisitie hebben. Sociale innovatie is, met andere woorden, een voorwaarde om externe kennis goed te benutten. Sociaal innovatieve bedrijven, kortom, die goed zowel interne als externe kennis kan verwerven, integreren en toepassen leveren goede bedrijfsprestaties.

Om de eigen concurrentiekracht en productiviteit te vergroten moet het Nederlandse bedrijfsleven de volgende stappen ondernemen:

  • Meer investeren in sociale innovatie
    Sociaal innovatieve bedrijven investeren meer in R&D en halen een grotere omzet uit nieuwe en verbeterde producten en diensten. Meer investeren in sociale innovatie leidt tot betere bedrijfsresultaten op de korte en op de langere termijn: een beter ontwikkelde bundeling van flexibel organiseren, dynamisch managen en slimmer werken is immers moeilijker te kopiëren door concurrenten. Bovendien hebben flexibel organiseren, dynamisch managen en slimmer werken een positief en versterkend effect, niet alleen onderling, maar ook op het innovatievermogen en op de bedrijfsresultaten. Bovendien is het niet onwaarschijnlijk dat meer investeren in sociale innovatie Nederland op het punt van innovatie een hogere positionering zal bezorgen op de wereld-concurrentie-index van het World Economic Forum.
  • Prioriteit geven aan sociale innovatie van met name bouwbedrijven en financiële dienstverleners
    Bedrijven in de bouw en de financiële dienstverlening lopen, over het algemeen, achter op bijna alle aspecten van sociale innovatie en externe kennisacquisitie. Niet in de laatste plaats met het oog op de bijdrage die deze twee sectoren leveren aan de werkgelegenheid en bruto toegevoegde waarde van Nederland is het belangrijk dat sociale innovatie juist binnen deze sectoren toeneemt. Dit zal ook een positieve invloed hebben op de internationale innovatiepositie van Nederland. Bedrijven in de ICT-sector, vastgoed en zakelijke dienstverlening zijn over het algemeen als positieve voorbeelden te beschouwen.
  • Meer investeren in nieuwe producten en diensten
    Bedrijven zijn zich in het algemeen meer gaan richten op kortetermijnresultaten. Om in de toekomst competitief te blijven, moeten bedrijven de daling van omzet uit nieuwe producten en diensten omkeren naar een stijging. Sociale innovatie kan hieraan een belangrijke bijdrage leveren.
  • Het vertrouwen binnen organisaties vergroten
    Vertrouwen binnen organisaties draagt in sterke mate bij aan het succes van slimmer werken. Daarnaast is het van belang dat medewerkers weten bij wie en/of waar in de organisatie bepaalde expertise te vinden is. Het vervolgens toepassen, bewerken en behouden van deze kennis zal de bedrijfsresultaten van slimmer werken vergroten.
  • Het innovatief vermogen stimuleren met informeel management
    Informeel management heeft een zeer positieve invloed op het innovatief vermogen, terwijl accountability een zeer gunstig effect heeft op het bedrijfsresultaat. Dynamisch managen vereist dus een actieve leider die naast aandacht voor gestelde targets (accountability) ook oog heeft voor de autonomie van medewerkers (informeel management). Daarnaast neemt met het aantal medewerkers in een organisatie ook het belang van transformationeel leiderschap toe.
  • De interne verandersnelheid van organisaties verhogen
    Een hoge interne verandersnelheid verklaart voor een belangrijk deel het succes van flexibel organiseren. Ook een goede balans tussen innovatie en efficiency en, in mindere mate, de structurele scheiding van innovatie en efficiency dragen hieraan bij.
  • Sociaal innovatieve bedrijven meer laten investeren in samenwerking met andere ondernemingen en kennisinstellingen
    Sociaal innovatieve bedrijven met een hoge externe kennisacquisitie presteren beter dan sociaal innovatieve bedrijven die een lage externe kennisacquisitie hebben. Sociale innovatie lijkt een voorwaarde te zijn voor een effectief gebruik van externe kennis. Als een onderneming sociaal innovatiever is geworden kan die vervolgens beter samenwerken met andere ondernemingen en kennisinstellingen.


Verwijzing
Het volledige rapport: Sociale innovatie: nu nog beter! (2010), geschreven door Prof. dr. Henk Volberda, Prof. dr. Justin Jansen, Dr. Michiel Tempelaar en Drs. Kevin Heij, is opgenomen als bijlage.

Keywords: Sociale innovatie, monitoring & evaluatie